U bent hier: HomeGeschiedenisDe Groote Smisse → Herberg “d'Oude Cruyseecke”

In het gehucht waar de smidse stond, lagen een aantal oude gebouwen die eeuwenlang een belangrijke rol speelden in het dagelijkse leven van de bewoners.
Eén van de oudste gebouwen was de herberg-hoeve d'Oude Cruyseecke, die in 1914 door Henri Masquelin uitgebaat werd.

Oude kruispunten

Zoals je enkele decennia geleden tankstations, en soms autogarages, vaak aan kruispunten vond, waren de typische gebouwen daar enkele eeuwen geleden herbergen, om de vermoeide reiziger en paarden rust te geven, wagenmakers voor snelle herstellingen, en smidsen om de paarden opnieuw te beslaan, of het ijzer rond de karrewielen opnieuw aan te brengen.

Dat was niet anders in het gehucht d'Oude Cruyseecke, een kruispunt met twee herbergen, een hoeve, en een smidse.

In den gekruisten Eik

In de tijd van Miel Smet heette de afspanning "Vieux Cruyseecke" of "d'Oude Cruyseecke", maar oorspronkelijk heette ze "In den gekruisten Eik", naar de eik met kruis die op het pleintje voor de herberg stond. Vermoedelijk is ook de naam Kruiseke te danken aan de gewoonte om kruisen in eiken te hangen[1].

In de afspanning voorzag men de reizigers van spijs en drank, slaapgelegenheid, en stalling voor mens en dier. De stallingen boden plaats voor zo'n 25 paarden.

Het uithangbord van de drankgelegenheid was een tableau met daarop een gekruiste eik geschilderd, en daaronder: "In den gekruisten Eik". Op de gevel stond het jaartal 1655[2].

Brand in de herberg

De oorspronkelijke herberg dateerde van voor 1539. In dat jaar was een zeker Lauking Snick, amman[3] van Beselare, er de waard. Zijn naam en getuigenis zijn bewaard gebleven in documenten over een zaak van een overspelige jonkvrouw. In die zaak getuigden ook twee werknemers van De Groote Smesse.

In 1645 was het perceel grond waarop "In den gekruisten Eik" stond, eigendom van Willem Verstraete uit Elverdinge. Het handelspand werd waarschijnlijk vernield door een brand. Willem had problemen met de aflossing van de lening, en op 10 november 1654 werd er besloten het pand openbaar te verkopen.

Bij overslag op 22 december 1654 bood Frans van Staen 100 pond groten[4], en liet de koop op naam van zijn zoon Jan, schepen van Cruyseecke, inschrijven. De verkoopakte passeerde voor de schepenbank van Cruyseecke op 13 januari 1655. De taverne werd heropgebouwd onder de naam “d'Oude Cruyseecke”, maar was ook gekend als “Au Vieux Cruyseecke”. De nieuwe eigenaar deed gouden zaken.

In de loop van de eeuwen verandert de herberg enkele keren van eigenaar en van herbergpachter. Op 14 april 1716 verkoopt Andries Descamps het handelspand aan Pieter Pattyn.

Henri Masquelin

Omstreeks 1805 werden Michel Masquelin[5] (geboren 1766) en Constantia Verkamer (geboren 1771) de nieuwe herbergpachters.

Terwijl de herberg weer van eigenaar verandert, volgen Pierry Willaert (1795-1869) en Amélie Vandenhende (1799-1864) Michel op als huurders van de herber en hoeve. Dochter Sylvie (geboren 1838) wordt bij het overlijden van Amélia op 25 december 1864 de nieuwe uitbaatster. Na het overlijden van Sylvie wordt haar echtgenoot Joseph Delbecque (1833-1891) de nieuwe waard.

Na hun huwelijk op 23 juli 1895 worden Henri Masquelin[6] (1863-1936) en Lucie Lefebre (1861-1937) de nieuwe pachters van de herberg-hoeve. In datzelfde jaar richten ze hun tabakshandel[7] op. Henri kocht tabak op bij de landbouwers in de streek en verkocht die door aan de fabrikanten. Wanneer de boeren hun tabak leverden bij Henri werden ze meteen in geld uitbetaald. Buur Miel Smet was op de hoogte van de leveringsdag en kon zo meteen de boeren aanpreken die bij hem nog in het krijt stonden.

Vanaf1911 kreeg de tabakshandelaar van de centrale in Komen een telefoonaansluiting met het nummer 2. Nummer 1 was voor J. Kesteloot, een collega van Henri, uit de rue de la Gare te Comines. Maar Henri was de eerste in Kruiseke om over een telefoon te beschikken.

Tijdens een veeprijskamp van het vleessyndicaat te Komen op 21 juni 1913 behaalde hij prijzen bij de vaarzen, koeien en geiten. Op zondag 1 februari was er rond half tien 's avonds een brand in zijn tabaksdrogerij. De schade bedroeg 600 frank en werd gedekt door de verzekeringen.

Op 20 oktober 1914[8] besluit de familie Masquelin te vluchten voor de oprukkende Duitse troepen. Bij hun terugkeer na de oorlog was hun handelspand volledig vernield, alleen de groene pomp aan de waterput was nog een herkenbaar oriënteringspunt.

Henri verhuisde naar Komen en vestigde zich in de Ten Brielenstraat 64. Daar zette hij zijn handelsactiviteiten verder, en zijn echtgenote hield er het café “A l'Etoile” open. In de jaren '20 zetelde Henri in de Komense gemeenteraad.

Na de Eerste Wereldoorlog

Voor de heropbouw van “d'Oude Cruyseecke” deed eigenares Marie-Sophie Delva beroep op architect Maurice Dujardin[10] (1887-1957) uit Komen-ten-Brielen. Het echtpaar Louis Ramon[11] - Pharaïlde Igodt werd pachter van het heropgebouwde handelspand.

In 1956 werd het echtpaar Maruice Ramon, zoon van Louis, - Marie Flament, uitbater van “d'Oude Kruiseecke“. Waardin Maria sloot op 1 oktober 1987 definitief de deur van de eeuwenoude herberg.

 

Herberg Cleen Cruyseecke

Bronnen, noten en/of referenties

Alle informatie op deze pagina's komt uit het artikel Het gehucht “d'Oude Cruyseecke” van de hand van Raoul Masschelein. Het artikel verscheen in het “Jaarboek 2017” van de Stedelijke Oudheidkundige Commissie Wervik.

[1] Deze naamsverklaring van Kruiseke vind je onder meer op Wikipedia. Volgens Raoul Maschelein, Kruisekenaar met een passie voor de lokale geschiedenis, heeft het te maken met kruisen die geplaatst werden op de hoeken (“Ecke”, hoek in het Duits) van het grondgebied.

[2] In de oorspronkelijke tekst staat dat er het jaartal 1665 stond, maar gezien het feit dat de herberg herbouwd werd in 1655 is dit vermoedelijk een tikfout.

[3] De term schout is als begrip ontleend aan het woord ‘scouthete’, een begrip dat wortels heeft in de oudnederfrankische en oergermaanse taal. Letterlijk betekent scouthete: degene die schuld (scout) gebiedt (hete): iemand dus die anderen kon gebieden om verplichte diensten uit te voeren.
Het ambt van schout werd afhankelijk van tijd en plaats ook wel aangeduid als baljuw, amman, drost of drossaard.

[4] De gebruikte munteenheid was de Vlaamse Pond, die onderverdeeld was in 20 schellingen, of 240 groten. 100 pond komt overeen met 2,000 goudfrank. Zie ook dit overzicht van Oude munteenheden en maten in Vlaanderen. De munt werd gebruikt tot 1795.

[5] Het is niet duidelijk of deze Masquelin familie is van Henri Masquelin, die de herberg uitbaatte in de tijd van Emile Vanbiervliet. Een zoon en dochter van die Henri zijn getrouwd met een dochter en een zoon van Emile.

[6] Zie ook het verhaal over Miel Smet.

[7] Kleindochter Jacqueline Masquelin, dochter van Germaine Vanbiervliet en Tryphon Masquelin, is de laatste in de familie die tabak zal verhandelen.

[8] Volgens Raoul Masschelein vluchtte de familie Vanbiervliet de dag ervoor, op 19 oktober, en de familie Masquelin op 20 oktober. Daniel Vanbierliet maakt echter gewag van “(.. .)de eerste zaterdag van oktober(...)”, zijnde 3 oktober. Op 1 oktober zijn er al de eerste schermutselingen, en op 20 oktober vallen de Duitsers Kruiseke aan. Vermoedelijk is de juiste datum dan ook een paar weken vroeger.

[9] Bron: John Desreumaux, “De Slag in en om Kruiseke, naar Duitse bronnen”, Geluwe, 2008

[10] Dezelfde architect ontwierp ook de twee huizen met atelier die Emile Vanbiervliet in 1923 liet bouwen. Zie het stuk over Miel Smet en Vijfwege.

[11] Louis was tot 1914 paardenknecht geweest bij de vroegere huurder Henri Masquelin.